Naar inhoud springen

Constitutiebrief

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Image
Constitutiebrief Loge Willem Frederik Karel, Den Helder

Een constitutiebrief (Engels: Warrant of constitution) is een document dat door een obediëntie - een koepelorganisatie van vrijmetselaarsloges, ook wel grootloge genoemd - aan een vrijmetselaarsloge verstrekt wordt, waarmee de loge kan aantonen dat zij bij de obediëntie aangesloten is. In Vlaanderen spreekt men ook wel van een patent.

Wordt een loge verplaatst of komt de loge onder een andere obediëntie te vallen, dan dient de constitutiebrief geratificeerd te worden. Gaat de constitutiebrief verloren - zoals bij verschillende loges in de Tweede Wereldoorlog het geval was - dan kan door de grootloge een vervangend exemplaar worden verstrekt.

Tot het begin van de achttiende eeuw kenden loges nog geen constitutiebrief, en werd - na schriftelijke toestemming van de grootmeester - de nieuwe loge ingeschreven in de registers van de grootloge. Hoewel er wel eerder op constitutiebrieven gelijkende documenten werden uitgegeven, is de vroegst bekende constitutiebrief van de Premier Grand Lodge of England - de eerste Engelse obediëntie - gedateerd op 14 januari 1757, die van de concurrerende Antient Grand Lodge op 18 juni 1755[1].

In Nederland is van de eerste loges geen constitutiebrief bekend. Na de oprichting van de Grootloge der Zeven Verenigde Nederlanden - een voorloper van het huidige Grootoosten der Nederlanden - in 1756 begon men echter direct met het uitgeven van constitutiebrieven. Zo is er een constitutiebrief bekend van de Haagse loge 'L'Indissoluble' van 6 februari 1757.

Het gebruik van de constitutiebrief wordt omschreven in de ordegrondwet van de grootloge.

In de constitutiebrief wordt onder meer vermeld welke naam de loge draagt, in welke plaats zij gevestigd is, wat haar onderscheidingskleuren zijn en wat haar rangnummer is. Ook worden een aantal verplichtingen opgesomd die de leden van de loge dienen te vervullen teneinde de loge lid te kunnen laten zijn van de obediëntie.

Vaak wordt de datum waarop de constitutiebrief is afgegeven beschouwd als de oprichtingsdatum van de loge, maar dit is onjuist. De oprichtingsdatum betreft de oprichting van de rechtsvorm, in Nederland en België doorgaans een vereniging. De constitutiebrief wordt pas later afgegeven bij de plechtige installatie van de loge door de grootloge. De constitutiebrief dient door de loge te worden bewaard en wordt bij bepaalde gelegenheden getoond.

De constitutiebrief blijft eigendom van de grootloge. Deze kan - in uitzonderlijke gevallen - de constitutiebrief schorsen of teruginnemen. Als de loge ophoudt te bestaan, dient de constitutiebrief te worden geretourneerd aan de grootloge.

Een loge die niet of niet langer deel uitmaakt van een obediëntie heet in vrijmetselaarsjargon een wilde loge; men spreekt ook wel van een autonome loge. Een wilde loge is dus een loge die is opgericht zonder een constitutiebrief van een grootloge te hebben ontvangen, dan wel een loge die zich aan het gezag van de grootloge heeft onttrokken.

Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door de oudste drie loges van de United Grand Lodge of England, die al bestonden voordat (de voorloper van) deze obediëntie in 1717 werd opgericht. Deze drie loges hebben de zogeheten time immemorial status en mogen werken zonder constitutiebrief.