Naar inhoud springen

Objectiviteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Iets is objectief als het onafhankelijk is van de waarneming of voorkeuren van mensen: als er geen interpretatie bij nodig is. Dit staat tegenover subjectief. Het begrip heeft filosofische aspecten, en het begrip, in de zin van 'neutraal' of 'onpartijdig', is onder meer van wezenlijk belang in de journalistiek en bij de rechtspraak. Het onderscheid tussen objectiviteit en subjectiviteit wordt vaak gekoppeld aan het verschil tussen feiten en meningen. De mogelijkheid van objectiviteit wordt door verschillende filosofen in twijfel getrokken, zoals de postmodernen. Zij betogen dat mensen, door hun onderlinge verschillen, slechts subjectieve interpretaties van de werkelijkheid kunnen maken.

Journalistiek

[bewerken | brontekst bewerken]

Sommige journalisten beschouwen objectiviteit, in de zin van neutraliteit of onpartijdigheid, als een voorwaarde voor goede journalistiek, bij de vergaring, de keuze en bewerking van nieuws. Journalisten zouden daarom bijvoorbeeld geen lid kunnen zijn van een politieke partij.

Andere journalisten en filosofen menen dat objectieve verslaggeving onmogelijk is. Tijdens het gehele proces van verslaggeving worden keuzes gemaakt: welk onderwerp men kiest te verslaan, welke feiten en standpunten men belicht, hoe diep men doorvraagt, en het taalgebruik in de geschreven media. Omdat journalisten en uitgevers, net als anderen, onderhevig zijn aan belangenstrijd en ideologie, maken deze factoren verslaggeving onvermijdelijk gekleurd, zo luidt de stelling.

Een vroege variant van deze stelling is te vinden in de theorie van de culturele hegemonie van Gramsci.[1] De hedendaagse Herman en Chomsky stellen dat Amerikaanse, en westerse media überhaupt, aan zelfcensuur zijn gaan doen, omdat ze afhankelijk zijn van (potentiële) adverteerders. Hierdoor ontstaat een ideologisch, kapitalistisch gekleurd beeld.[2] Ook binnen het feminisme bestaan dergelijke standpunten.

Sommige media streven objectiviteit na, in die zin dat ze zich aan de feiten houden, en elke keer een zorgvuldige afweging maken van wat waar is, zonder volledig vast te houden aan neutraliteit. Ze geven een beginselverklaring af, die hun maatschappelijke opvattingen weergeeft. Ook worden artikelen door auteurs ondertekend, zodat de lezer de achtergrond kent, en de publicatie gemakkelijker naar eigen inzicht kan interpreteren.

In de rechtspraak is objectiviteit een levensvoorwaarde. Rechters moeten recht spreken zonder enige vorm van partijdigheid of zelfs maar betrokkenheid. Dit heeft onder meer geleid tot het opstellen van registers voor nevenfuncties bij de rechterlijke macht. Een gebrek aan objectiviteit van een rechter (bijvoorbeeld een familierelatie met een verdachte of een advocaat) kan leiden tot wraking van een rechter, oftewel het eisen van zijn onmiddellijke verwijdering van de behandeling van een zaak.

Ook hier wordt getwijfeld aan de mogelijkheid van objectiviteit, bijvoorbeeld door de Franse filosoof Jean-François Lyotard.

De woordenboekdefinitie moet onderscheiden worden van de meer filosofische betekenis, waarin de term objectief betrekking heeft op het object (het object is alles wat geen subject is). De uitspraak de mug is een schadelijk insect, mag in het dagelijks spraakgebruik objectief heten, in grote delen van de filosofie kan hij met evenveel (of meer) recht een subjectieve uitspraak genoemd worden.

Zeggen dat een entiteit "objectief" bestaat, betekent dat zijn bestaan en natuur niet afhangen van iemands bewustzijn (awareness) ervan. Een tafel waaraan je zit bestaat "objectief", omdat ze nog steeds bestaat als niemand zich ervan bewust is. Met name Immanuel Kant stond zeer sceptisch tegenover de mogelijkheid om zuivere, objectieve kennis te verwerven. Zijn uitdrukking Ding an sich, verwijst naar de werkelijkheid zoals ze buiten het menselijk kenvermogen bestaat. Die objectieve werkelijkheid wordt steeds door het menselijk kenvermogen gesubjectiveerd, en is dus 'an sich' niet kenbaar (zie verder Copernicaanse revolutie).

Objectiviteit als een 'epistemische deugd' is de waarneming van een persoon dat dingen onafhankelijk van het bewustzijn van wie dan ook bestaan. Zulke objectiviteit wordt beschouwd als essentieel voor de exacte wetenschap, de filosofie en de rechtspraak.

Echter, volgens idealistische filosofieën, zoals die van Berkeley, Fichte en Hegel, heeft alle "zijn" (mede) een bewustzijnskarakter. Vanuit dat standpunt zou het dus niet waar zijn dat een tafel ook zonder waarnemer zou bestaan, aangezien dat wat wij met "tafel" aanduiden slechts de ervaring van een — concrete of mogelijke — tafel kan zijn. Zonder die ervaring zou niets kenbaar of zelfs maar aanduidbaar zijn. De betekenis van "object" zou dus zijn: "dat wat een subject ervaart".

"Objectiviteit" moet niet verward worden met objectivisme.

In de psychometrie wordt een maat (measure) als objectief beschouwd als alle bestaande gebruikers dezelfde maat schatten wanneer ze deze gebruiken.