Naar inhoud springen

Wingewest

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Een wingewest is een gebied dat gebruikt wordt om winst te behalen, oftewel een economisch geëxploiteerde landstreek, meestal door overheden uitgebaat. Een voorbeeld is een gebied waar veel grondstoffen of producten vandaan komen die tegen onredelijk lage prijzen gekocht worden. Veel voormalige koloniën werden als zodanig gebruikt, maar soms soevereine staten en ook niet-koloniale landsdelen. De wetenschappelijke term, die vaak in verband wordt gebracht met kolonialisme, is extractivisme.

Het woord duikt in de eerste helft van de 17e eeuw in het Nederlands op en verwijst dan doorgaans naar de Oudheid – in de betekenis van Latijn prōvincia (“veroverd gebied”) – dan wel naar de eigentijdse koloniën. De term kreeg in de 18e eeuw een negatieve connotatie (“uitbuitingsgebied”), die bij synoniemen in andere talen pas later ontstond.

Kolonie als wingewest

[bewerken | brontekst bewerken]

Tal van landen beschouwden koloniën uitsluitend als gebieden die winst voor het moederland moesten genereren. Belangstelling voor de lokale bevolking was er nauwelijks. Zo heeft België na de Eerste Wereldoorlog het gebied Ruanda-Urundi toegewezen gekregen van de Volkenbond. De Belgen maakten gretig gebruik van dit gebied door grote koffieplantages te stichten op de rijke vulkanische bodem. De verbouw van voedsel werd naar minder rijke gebieden gedreven.

Ook Katanga was een belangrijk wingewest van België. Hier waren het de mijnen die voor de winst zorgden. De plaatselijke Luba-bevolking en gastarbeiders uit Zambia werden hier aan het werk gezet, dikwijls in mensonwaardige omstandigheden.

Onder meer Suriname en Nederlands-Indië werden door Nederland geëxploiteerd. In beide landen werd massaal gebruikgemaakt van plantages om commercieel aantrekkelijke producten te kweken voor de Nederlandse markt. Onder andere Multatuli gebruikte hiervoor in de Max Havelaar (1860) de term wingewest.

De term “wingewest” wordt in dit verband wel gebruikt om een (negatief) waardeoordeel te geven over de politieke / economische koloniale en imperialistische verhouding.[1]

Landsdeel als wingewest

[bewerken | brontekst bewerken]

Soms fungeren binnen naties perifere niet-koloniale gebieden als wingewest. Als voorbeelden hiervan worden Siberië in de Sovjet-Unie en Xinjiang in China genoemd. Sinds de 18e eeuw zijn de generaliteitslanden als Brabant en zuidelijk Limburg, daarna ook Drenthe en Vlaanderen en – meer recentelijk – Groningen als zodanig aangeduid.

Zo noemde Gerard Kuvelder in zijn pamflet Bezuiden de Moerdijk (1929) het voormalige Staats-Brabant een wingewest. De historicus Lodewijk Rogier onderschreef dit. In zijn latere werk In vrijheid herboren (1953) beschrijft Rogier de emancipatie van deze provincie letterlijk als de transformatie waarbij "Brabant stijgt van wingewest tot een der belangrijkste provincies van het land". De Brabantse schrijver Anton van Duinkerken zorgde er met zijn essays en memoires (zoals Brabantse herinneringen) voor dat het collectieve besef van Brabant als historisch 'wingewest' in de Nederlandse cultuur wijdverspreid raakte.

Vooral voor de provincie Groningen – en met name Oost-Groningen– is de term sinds 1970 veelvuldig gebruikt. Terwijl Nederland na de vondst van de aardgasbel bij Slochteren miljarden verdiende aan Gronings aardgas, werd er volgens de Groningers te weinig in deze provincie geïnvesteerd. De destijds afbrokkelende werkgelegenheid (strokarton-industrie, scheepsbouw etc.) en de Haagse plannen voor opslag van radioactief afval en militaire oefenterreinen versterkten het gevoel van achterstelling en economische exploitatie.

Het gebruik van de term wingewest voor deze regio is onder wetenschappers niet onomstreden. Zo was de economische neergang na de oliecrisis van 1973 niet beperkt tot Groningen, maar gold voor het gehele land. Vooral de arbeidsintensieve industrie trok naar lagelonenlanden met een grote werkloosheid tot gevolg. Desondanks hanteerden veel regionale politici en anderen de aanduiding. Dit gebeurde bijvoorbeeld op de door de Communistische Partij van Nederland geïnitieerde zogenaamde Volkscongressen in de periode 1972-1980 – met als motto Groningen geen wingewest! – werd deze breed geëtaleerd.[2] Het thema wordt sinds 2002 vooral naar voren gebracht door de Partij voor het Noorden en werd door de gaswinningsproblematiek vanaf 2012 opnieuw actueel.

  • Herre van Dokkumburg, Tegen lozing atoomafval en West-Duits atoomgevaar: Groningen geen wingewest! (Voorbereidingsboekje Volkskongres, gehouden 5 maart 1977, Winschoten), Groningen 1976
  • Maarten Duijvendak, 'De perfecte periferie: Turf, gas en Oost-Groningen', in: Groniek 53 (2021 = nr: 228-229), p. 272-285
  • Michiel A.W. Gerding, Vier eeuwen turfwinning. De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950, Wageningen: WUR, 1995 (= A.A.G. Bijdragen, 35)
  • Pim Kooij, ‘Het Noorden en de Nederlandse economie: trekpaard of wingewest?', in: Klaas van Berkel, Henk Boels en W.R.H. Koops (red.), Nederland en het Noorden, Assen: Van Gorcum 1991, p. 152-169 (= Groninger Historische Reeks, 6)
  • Arendo Joustra e.a., Ons Suriname: 35 jaar onafhankelijkheid en de blijvende invloed van een tropisch wingewest, Amsterdam: Elsevier, 2010
  • Gerrit Voerman en Leo Siepe, Fré Meis. Handelsreiziger in revoluties, Zutpen: Walburg Pers, 2002
  • J.E. Stokvis, Van wingewest naar zelfbestuur in Nederlandsch Indië, Amterdam: Elsevier, 1922
  • Jan Tromp, 'De generaliteitslanden als wingewest', in: Haagse Post (1985), afl. 22, p. 10-15.
  • Gerrit Voerman, 'De tweede jeugd van het communisme in Groningen, in: Gerrit Voerman, Eddy de Jonge en Harm van der Veen (red.), Tussen Finsterwolde en Moskou. Over de geschiedenis van het communisme in Oost-Groningen, Scheemda 1993, p. 103-126