Naar inhoud springen

Diuturni Temporis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Deel van de serie over
documenten van de
Heilige Stoel

Constituties, encyclieken,
exhortaties en instructies

Wapen van de Heilige Stoel
op gezag van
de Heilige Stoel
Constituties

Sacrosanctum Concilium
Gaudium et Spes
Lumen Gentium

Encyclieken

Pius IX
Leo XIII
Pius X
Benedictus XV
Pius XI
Pius XII
Johannes XXIII
Paulus VI
Johannes Paulus II
Benedictus XVI
Franciscus

Instructies

Inter Oecumenici
Liturgiam Authenticam
Redemptionis Sacramentum

Diuturni temporis is een encycliek van paus Leo XIII over de rozenkrans, uitgevaardigd op 5 september 1898. De encycliek is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere plaatselijke ordinarii die in gemeenschap stonden met de Heilige Stoel.[1]

Het document vormt een terugblik op Leo XIII's jarenlange bevordering van het rozenkransgebed. De mariaal-theoloog Thomas A. Thompson rekent Diuturni temporis tot de twaalfde en laatste van een reeks rozenkransencyclieken die in 1883 was begonnen.[2] De encycliek behandelt onder meer de combinatie van gebed en meditatie in de rozenkrans, de betekenis die Leo XIII eraan toekent voor geloof en christelijk leven, de bijzondere plaats van de maand oktober en de aflaten en privileges die met rozenkransbroederschappen waren verbonden.[3]

Leo XIII was paus van 1878 tot 1903. Zijn pontificaat volgde op het verlies van de Kerkelijke Staat in 1870 en viel in een periode waarin de verhouding tussen de katholieke Kerk, liberale staten en antiklerikale politieke bewegingen in verschillende Europese landen gespannen was. Historicus Owen Chadwick behandelt deze politieke en kerkelijke omstandigheden als een belangrijk deel van de context van Leo's pontificaat.[4]

Volgens Thompson kreeg de rozenkrans vanaf 1883 een uitzonderlijk prominente plaats in Leo XIII's openbare leer. Hij onderscheidt binnen de rozenkransdocumenten van Leo XIII een eerste periode van 1883 tot 1885, waarin vooral de openbare beoefening van de devotie werd bevorderd, en een tweede reeks vanaf 1891 waarin de betekenis van de rozenkrans voor het leven van Kerk en samenleving uitgebreider werd behandeld.[2] Ook KADOC-KU Leuven noemt de bevordering van de rozenkransvroomheid als een kenmerk van het religieuze beleid van Leo XIII.[5]

In Diuturni temporis verwijst Leo XIII zelf naar zijn eerdere optreden. Hij schrijft dat hij sinds september 1883 herhaaldelijk had aangedrongen op de beoefening van de rozenkrans en dat hij de maand oktober in het bijzonder aan deze devotie had verbonden.[6]

Gebed en meditatie

[bewerken | brontekst bewerken]

Leo XIII beschrijft de rozenkrans als een gebedsvorm waarin het Weesgegroet, het Onzevader en de meditatie over de mysteries van het christelijk geloof met elkaar worden verbonden. Volgens de encycliek biedt deze combinatie niet alleen een vorm van mondgebed, maar ook een middel om geloofswaarheden te overwegen en voorbeelden van christelijke deugd voor ogen te houden.[7]

Bijzondere aandacht gaat uit naar het leven van Jezus Christus en Maria. Leo XIII noemt in dat verband ook het huiselijk leven van de Heilige Familie in Nazareth als voorbeeld voor christelijke gezinnen.[7] Thompson plaatst dit in een bredere lijn binnen Leo XIII's rozenkransdocumenten: de rozenkrans functioneert daarin als een middel om de mysteries van het heil te overwegen aan de hand van het leven van Christus en Maria.[2]

Maria en de bescherming van het geloof

[bewerken | brontekst bewerken]

De encycliek kent aan de voorspraak van Maria een belangrijke plaats toe. Leo XIII presenteert het rozenkransgebed als een godsdienstige praktijk waaraan hij bescherming van het geloof en geestelijk nut voor de gelovigen verbindt.[6] Deze beweringen worden in de tekst geformuleerd vanuit de rooms-katholieke geloofsleer en zijn geen historische of empirische vaststellingen.

Leo XIII verwijst tevens naar maatregelen van verschillende voorgangers die de rozenkransdevotie hadden gesteund. Hij noemt onder anderen Sixtus V, Gregorius XIII, Clemens VIII, Clemens XI en Benedictus XIII. Ook herinnert hij aan eigen maatregelen, waaronder de bijzondere liturgische aandacht voor de rozenkrans gedurende oktober en de toevoeging van de titel Koningin van de Allerheiligste Rozenkrans aan de Litanie van Loreto.[8]

Aflaten en rozenkransbroederschappen

[bewerken | brontekst bewerken]

Een gedeelte van de encycliek behandelt de katholieke leer en kerkelijke praktijk omtrent aflaten. Leo XIII beschrijft een aflaat als kwijtschelding van tijdelijke straf nadat de schuld van de zonde is vergeven, en verbindt deze leer met wat in de katholieke traditie de geestelijke schat van de verdiensten van Christus en de heiligen wordt genoemd. Vervolgens bespreekt hij aflaten die aan de rozenkrans en aan rozenkransbroederschappen waren verbonden.[8]

Aan het einde van dit gedeelte kondigt Leo XIII een afzonderlijk document aan waarin de rechten, privileges en aflaten van de rozenkransbroederschappen systematischer zouden worden geregeld.[9] Die aangekondigde regeling verscheen op 2 oktober 1898 als de apostolische constitutie Ubi primum.[10] In de opening daarvan verwijst Leo XIII uitdrukkelijk terug naar zijn aankondiging van 5 september.[10]

Theologische accenten

[bewerken | brontekst bewerken]

De theologische gedachtegang van Diuturni temporis sluit aan bij de bredere rozenkransleer van Leo XIII. De rozenkrans wordt niet uitsluitend voorgesteld als een vorm van Mariaverering, maar tevens als meditatie over de mysteries van het christelijk heil. De rol van Maria staat daarbij in verband met Christus en met de beschouwing van gebeurtenissen uit de heilsgeschiedenis. Thompson beschouwt juist deze verbinding tussen de mysteries van Christus, Maria en het christelijk leven als een centraal element van Leo XIII's rozenkransonderricht.[2]

Daarnaast vertoont de encycliek een sterk kerkelijk en disciplinair element. Naast aansporingen tot persoonlijk gebed verwijst Leo XIII naar liturgische praktijken, pauselijke voorgangers, aflaten en georganiseerde broederschappen. Daarmee presenteert hij de rozenkrans niet uitsluitend als individuele devotie, maar ook als een door het kerkelijk gezag bevorderde vorm van katholieke vroomheid.[11][2]

Historische duiding van de oorsprongstraditie

[bewerken | brontekst bewerken]

In zijn terugblik schrijft Leo XIII dat hij eerder had uiteengezet dat de oorsprong van de rozenkrans eerder als goddelijk dan als louter menselijk moest worden beschouwd.[7] Deze formulering behoort tot de confessionele en devotionele voorstelling van de geschiedenis van de rozenkrans.

Historisch onderzoek maakt onderscheid tussen deze religieuze traditie en de documenteerbare ontwikkeling van de gebedsvorm. Religiewetenschapper Rita George-Tvrtković wijst erop dat het bekende verhaal waarin Maria de rozenkrans aan Dominicus zou hebben gegeven pas in de vijftiende eeuw in de bronnen verschijnt. Zij verbindt de verspreiding van het verhaal in het bijzonder met de dominicaan Alain de la Roche.[12] De betreffende passage uit Diuturni temporis kan daarom historisch worden gelezen als een weergave van de toenmalige katholieke oorsprongstraditie, niet als bewijs voor het ontstaan van de rozenkrans in de dertiende eeuw.

Plaats binnen het pontificaat

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Thompson waren de herhaalde rozenkransdocumenten van Leo XIII van betekenis voor de institutionalisering van de rozenkrans als een centrale publieke devotie binnen het westerse katholicisme.[2] Diuturni temporis heeft binnen die ontwikkeling vooral het karakter van een terugblik: Leo XIII herneemt eerdere argumenten, verwijst naar de maatregelen die tijdens zijn pontificaat waren genomen en vat de geestelijke en kerkelijke betekenis samen die hij aan het gebed toekende.[3]

De encycliek bevat, anders dan enkele andere documenten van Leo XIII over sociale en filosofische onderwerpen, geen uitvoerig zelfstandig filosofisch stelsel. De maatschappelijke betekenis van de rozenkrans wordt er hoofdzakelijk binnen een theologisch en pastoraal kader besproken. Een verdergaande koppeling van Diuturni temporis aan bijvoorbeeld neothomisme, personalisme of een specifieke epistemologische theorie vereist daarom aanvullende secundaire literatuur die juist deze encycliek op dat punt analyseert.

  • (en) Chadwick, Owen (1998). A History of the Popes 1830–1914. Oxford University Press, Oxford. DOI:10.1093/0198269226.003.0007, 'Pope Leo XIII (1878–1903)', 273–331. ISBN 9780198269229.
  • (en) George-Tvrtković, Rita (2020). Our Lady of Victory or Our Lady of Beauty?: The Virgin Mary in Early Modern Dominican and Jesuit Approaches to Islam. Journal of Jesuit Studies 7: 403–416. DOI: 10.1163/22141332-00703003.
  • (la) Leo XIII (1898). Diuturni temporis. Acta Sanctae Sedis 31: 146–149.
  • (en) Thompson, Thomas A. (oktober 1998). The Rosary Encyclicals. The Priest: 39–48 (Our Sunday Visitor Publishing).
[bewerken | brontekst bewerken]
Image
Zie de categorie Diuturni temporis van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.