Naar inhoud springen

Staatsgreep van 22 januari 1798

Etalagester
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Image
Voorzitter Johannes Henricus Midderigh onderweg naar de Nationale Vergadering op 22 januari 1798. Prent van Ludwig Gottlieb Portman naar een tekening van Cornelis van Cuylenburgh.

De Staatsgreep van 22 januari 1798 was de geweldloze machtsovername in de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek door radicale revolutionairen op 22 januari 1798. De oorzaak was onvrede over de trage invoering van democratische wetgeving naar Frans model.

Drie jaar eerder, in januari 1795, vielen Franse troepen de Zeven Verenigde Nederlanden binnen en kwam de Bataafse Republiek tot stand. In deze zusterstaat van Frankrijk begonnen Nederlandse revolutionaire politici met politieke hervormingen van het bestuurlijk bestel. De Nationale Vergadering moest een grondwet ontwerpen en kwam na twee jaar met een eerste voorstel. Het afwijzen van deze grondwet bij het referendum van augustus 1797, vergrootte de bestaande impasse. Daarom planden de radicalen met steun van generaal Daendels en de Franse ambassadeur Charles Delacroix een staatsgreep. Andere sleutelfiguren waren de radicale voorman Pieter Vreede en de voorzitter van de Nationale Vergadering Johannes Henricus Midderigh.

De coupplegers arresteerden 28 leden van de Nationale Vergadering, die zij verantwoordelijk hielden voor de impasse. Na deze staatsgreep richtten de radicale republikeinen het Uitvoerend Bewind op als nieuw landelijk bestuursorgaan. In april 1798 werd per referendum een nieuwe grondwet goedgekeurd: de Staatsregeling van 1798. Door impopulaire maatregelen hield het radicale bestuur in de Republiek slechts enkele maanden stand. Op 12 juni bracht een nieuwe staatsgreep de gematigden aan het bewind.

Bataafse Republiek

[bewerken | brontekst bewerken]
Image Zie Bataafse Republiek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de winter van 1794-1795 viel een Frans republikeins leger de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen. Dit leger ondervond weinig tegenstand van het stadhouderlijk leger. Als onderdeel van de oorlog die de geallieerden voerden met Frankrijk waren Pruisische en Britse legers in de Republiek terecht gekomen. Deze legers verlieten via het oosten het grondgebied van de Republiek. De opmars van het Franse leger ging dermate snel dat de patriotten geen omwenteling meer konden organiseren. Op 18 januari 1795 vertrok stadhouder Willem V uit de Republiek toen hij inzag dat zijn positie onhoudbaar was geworden.[1]

De "fluwelen revolutie" die zich in de oude Republiek voltrok, kreeg de goedkeuring van de gematigde Franse Republiek en in januari 1795 erkende Frankrijk de zelfstandigheid van de "Bataafse Republiek", die het zogenaamd bevrijd had. Het Haags Verdrag dat beide landen sloten maakte van de Republiek een Franse satellietstaat.[2] De vrijheidsstrijders noemden de situatie in 1795 na de Bataafse Revolutie "onordentelijk" (zonder orde). Er moest een nieuwe staatkundige orde komen, maar hoe deze eruit moest zien was nog onduidelijk. Het voltooien van de revolutie zou dan nog meer dan drie jaar gaan duren.[3]

Partijstrijd in de Nationale Vergadering

[bewerken | brontekst bewerken]
Image
Zitting van de allereerste Nationale Vergadering in Den Haag, getekend door George Kockers.

In 1795 was de Republiek op politiek vlak diep verdeeld en de staat was moeilijk te hervormen. Een aanzienlijke groep orangisten stond politiek buitenspel na de revolutie, maar onder patriotten – die nu aan de macht waren gekomen – heerste verdeeldheid. Onder hen bevonden zich radicale en principiële democraten, maar ook gematigde pragmatici en aristocraten die van mening waren dat de bestuurlijke orde slechts een renovatiebeurt behoefde. In de beginfase bleek dat de gematigde hervormers ruim in de meerderheid waren, waarmee ze in de positie waren om hun invloed te laten gelden.[4]

Het duurde meer dan een jaar totdat het nieuwe parlement (de Nationale Vergadering) voor het eerst bijeenkwam, op 1 maart 1796.[5] Onder de inwoners van de Bataafse Republiek heerste vanaf de eerste bijeenkomst van de Nationale Vergadering het gevoel dat de patriottenbeweging nu definitief in verschillende partijen uiteen was gevallen. In Frankrijk was na de revolutie in het parlement een linker- en rechterfractie ontstaan. Deze situatie moest voorkomen worden in de Nederlandse republiek en daarom werd in het Reglement vastgelegd dat alle leden van de Nationale Vergadering iedere twee weken van plaats zouden wisselen. Dit kon partijdigheid in het parlement echter niet voorkomen.[6]

Binnen de Nationale Vergadering ontstonden na de vorming van het parlement twee partijen. Tijdens de bespreking van het Reglement erkende parlementariër Johannes Henricus Midderigh het bestaan van deze partijen:[7]

De eene partije wil het rijk der overheersching, ongelijkheid, onrechtvaardigheid, dweperij en vooroordelen geheel vernietigen – de andere partij (...) verkiest (...) alleenlijk het al te afzigtelijk gewordene met een uiterlijken en bedrieglijken glans te vernissen. De eene partij is oprecht gezind om (...) eene meer verlichte wijsbegeerte daadlijk in oeffening te brengen (...) De andere partij wil zoo veel mogelijk bij het oude blijven.

Image
Rutger Jan Schimmelpenninck, geportretteerd door Reinier Vinkeles.

Een belangrijk punt waar deze partijen verschillend over dachten was of de revolutie in 1795 was beëindigd, of dat deze pas beëindigd kon worden als in de Republiek een grondwet was ingevoerd. Volgens Pieter Vreede was de grondwet "nog in zijn geboorte; zij is nog niet bij ons ontworpen (...) en zoo lange dit geen plaats heeft, zoo lange leven wij in een staat van revolutie". De leden van het parlement die het met dit uitgangspunt eens waren noemden zichzelf Republikeinen. Vreede en Johan Valckenaer waren de belangrijkste gezichten van deze partij. Na de benoeming van Valckenaer tot ambassadeur in Spanje werd Vreede gezien als de leider van de Republikeinen. De Republikeinen waren voorstanders van een representatieve volksvertegenwoordiging en verdedigden het leidende beginsel van "volkomen een- en ondeelbaarheid van de republiek". Dit betekende financiële eenheid en eenheid van bestuur.[8]

In navolging van de republikeinen formeerde ook de moderate partij zich. Jan Bernd Bicker en Rutger Jan Schimmelpenninck waren bekende leden van deze partij. Zelf noemden deze parlementariërs zich "gematigden" of "bedaarden", terwijl hun tegenstanders hen onder andere als "slijmgasten" en "anti-revolutionairen" aanduiden. De moderaten waren voorstanders van de ware vrijheid die volgens Hendrik Collot d'Escury alleen kon standhouden "wanneer dezelve rust op goede orde, ondergeschiktheid aan de wet en die geconstitueerde magten, die 's volks wil heeft daargesteld."[9]

Ten aanzien van de ideale staatsvorm bestonden er binnen de moderate partij twee richtingen. Zo bewonderde volksvertegenwoordiger Jacob Abraham de Mist de door velen verguisde Unie van Utrecht, maar erkende hij dat deze enigszins gebrekkig was en was hij voorstander van uitbreiding van de unie met Drenthe en Bataafs-Brabant. Hij vond het ook onrechtvaardig om de gewestelijke schulden samen te voegen; dit was een punt waar de republikeinen wel voor pleitten. Schimmelpenninck was wel voorstander van het eenheidsprincipe en samenvoeging van de schulden, maar volgens hem kon de gewesten wel zelfbestuur worden toegestaan voor zaken van lokale aard. De Republikeinen hadden tijdens de debatten nog weleens de gewoonte om de gehele partij van moderaten te vereenzelvigen met het standpunt van De Mist.[10]

Staatsregeling

[bewerken | brontekst bewerken]

Eind 1796 bracht de Constitutiecommissie een eerste voorstel voor een grondwet ter tafel in de Nationale Vergadering. De republikeinen hekelden het cryptofederalistische karakter van het voorstel. Vreede noemde het in een toespraak voor het parlement een rampzalig en onwerkbaar mengsel van federalisme en uniteit. In zijn speech verweet hij de mensen die een federalistische grondwet verlangden dat zij ook "een Tiran; een Stadhouder" wilden.[11] Het parlement nam het Plan van Constitutie met 66 tegen 52 stemmen aan en in een tweede stemming bepaalde de vergadering dat de Republiek "volstrekt een en ondeelbaar" was, waarmee het federalisme werd afgewezen. Begin december benoemde de Nationale Vergadering een commissie die het Plan van Constitutie in lijn moest brengen met dit eenheidsbeginsel.[12]

Image
Orangistische spotprent op de uitslag van het referendum van 8 augustus 1797, waarbij de constitutie wordt begraven en een man op de voorgrond het water van de revolutie uitbraakt. Maker onbekend.

In mei 1797 kwam een geamendeerde grondwet ter tafel. Dit compromisvoorstel was tot stand gekomen door wisselende meerderheden. Hoewel het voorstel maar weinig politici kon bevredigen, kreeg het steun omdat men de mening was toegedaan dat er eindelijk een grondwet moest komen. Valckenaer verklaarde dat het beter was een slechte constitutie te hebben dan helemaal geen.[13]

Op 8 augustus 1797 vond het eerste landelijke referendum in de Nederlandse geschiedenis plaats, waarin gestemd werd over de grondwet. De Constitutie telde 781 artikelen en stond dan ook bekend als het "Dikke Boek". In de campagne voorafgaand aan het referendum publiceerden twaalf republikeinse representanten, de Twaalf Apostelen, een manifest tegen het grondwetsvoorstel. In dit manifest kwalificeerden zij het voorstel als een aristocratische samenzwering die het volk klein moest houden. De kiezers verwierpen de Grondwet met 80 procent van de stemmen. Een Tweede Nationale Vergadering, die op 8 augustus werd verkozen, moest het werk overdoen.[14] De republikeinen kwamen redelijk goed uit de verkiezingen: de Twaalf Apostelen waren allemaal herkozen en meerdere districten verkozen Vreede als hun representant.[15]

Plannen voor een coup

[bewerken | brontekst bewerken]

Het nieuwe parlement vormde een nieuwe constitutiecommissie en deze kwam onder leiding te staan van de progressieve parlementariër Willem Ockerse. Terwijl Ockerse werkte aan de Grondwet spraken andere republikeinse volksvertegenwoordigers in september 1797 af om desnoods een coup te plegen om de ondeelbaarheid van de Republiek door te drukken.[16] De plannen voor een staatsgreep ontstonden binnen twee verschillende groepen. De eerste was de groep van republikeinse radicalen rondom Vreede, die zitting had in de Nationale Vergadering. Leden van deze club waren naast Vreede onder anderen Jan Konijnenburg, Stephanus Jacobus van Langen, Jacobus Nolet en Lambertus Christoffel Vonk. De tweede groep werd gevormd door republikeinse radicalen uit verschillende Amsterdamse volkssociëteiten. Tot deze groep behoorden bijvoorbeeld Wijbo Fijnje, Frederik Willem Fennekol en Hendrik Nobbe.[17]

De twee groepen kwamen met elkaar in contact en trokken gezamenlijk de conclusie dat een democratische grondwet alleen bereikt kon worden als hun belangrijkste tegenstanders uit de Nationale Vergadering verwijderd werden. Bovendien stond het voor hen vast dat de gewenste staatsgreep alleen maar kon slagen als deze de steun of goedkeuring van Frankrijk had.[18]

Image
De slag bij Camperduin, geschilderd door Thomas Whitcombe.

Aanvankelijk vertegenwoordigde François-Joseph-Michel Noël de Franse belangen als ambassadeur in de Republiek, maar hij werkte bij voorkeur samen met de gematigde republikeinen en de moderaten. Vanwege deze politieke smaak was hij een obstakel voor de plannen van de radicale republikeinen. Op 4 september 1797 vond in Frankrijk de staatsgreep van 18 fructidor plaats door drie leden van het Directoire, het Franse landsbestuur. Deze staatsgreep van Paul Barras, Louis-Marie de La Révellière-Lépeaux en Charles-Maurice de Talleyrand richtte zich tegen de gekozen royalisten en het gematigde, reactionaire klimaat in Frankrijk. Na de coup ging het Directoire een radicalere koers varen.[19][20] Generaal Herman Willem Daendels stond in contact met het Directoire. Hij uitte daarbij zijn ongenoegen over de binnenlandse situatie in de Bataafse Republiek en sprak de hoop uit op een Nederlandse versie van de staatsgreep van 18 fructidor.[21]

Het besef dat meer politieke daadkracht dringend gewenst was, kreeg een stimulans door de oorlogssituatie in 1797. In de nadagen van de Eerste Coalitieoorlog verwachtte Frankrijk dat de Bataafse marine de landing van Franse troepen in Ierland zou dekken. Admiraal Jan Willem de Winter verzette zich hiertegen omdat hij zich realiseerde dat zijn bemanningsleden moesten onderdoen voor de Royal Navy, vanwege het lage moraal en de ondermaatse training. De Commissie voor Buitenlandse Zaken,[noot 1] – in verlegenheid gebracht door haar tot dan toe ondermaatse bijdrage aan de oorlog – wilde haar toewijding aan de Franse revolutionaire zaak bewijzen en besloot om De Winter toch uit te laten varen. Op 11 oktober leed de Bataafse vloot een verpletterende nederlaag tegen de Britse marine in de Zeeslag bij Camperduin.[22] De schuld van de nederlaag werd gelegd bij de Haagse politiek, met name bij de Commissie voor Buitenlandse Zaken.[23] Het verband tussen het binnenlandse onvermogen en de internationale onmacht van de Republiek werd na de nederlaag snel gelegd. Ook in Frankrijk zag men dit onvermogen, want dat land rekende op de Bataafse vloot in de oorlog.[16] Het uitvaren van de vloot beschreef Van Langen later als de hoofdoorzaak voor de staatsgreep van 22 januari.[24]

De radicale republikeinen zochten contact met het Directoire in Parijs. Barras stelde zijn diensten voor de radicalen beschikbaar voor een bedrag van een miljoen gulden. Deels uit te betalen in de vorm van contanten en deels in de vorm van jenever- en lakenleveranties. Na de slag bij Camperduin besloot de Bataafse ambassadeur in Parijs, Casparus Meijer, om de radicale republikeinen te steunen. Een van de vertegenwoordigers van de radicalen in Parijs, Arnoldus Bode, wist het volledige vertrouwen van Barras te winnen. Een paar dagen later bevestigde het Directoire dat ambassadeur Noël en generaal Pierre de Ruel de Beurnonville uit de Republiek teruggeroepen zouden worden. Charles Delacroix en generaal Barthélemy Catherine Joubert kregen de opdracht om hen te vervangen.[24]

Laatste stappen

[bewerken | brontekst bewerken]

De Franse auteur Pierre Claude François Daunou kreeg van het Directoire de opdracht om op basis van het eerder verworpen Ontwerp van Constitutie een conceptgrondwet te schrijven. Ambassadeur Delacroix had een kopie van het concept bij zich toen hij in Nederland aankwam en hij maakte via een tussenpersoon contact met de radicale republikeinen. Hij deed enige pogingen om hen en de gematigden bij elkaar te brengen, maar slaagde daar niet in. Over de ijver van de republikeinen schreef hij naar Parijs:[25]

Deze patriotten hebben in ieder geval het verlangen en de vaste wil om stappen te zetten en spoedig het doel te bereiken. Ze zijn zelfs bang dat ze worden voorbijgestreefd. Het is alleen zaak hun revolutionaire ijver te reguleren en excessen te voorkomen.

Delacroix gaf vervolgens de radicale republikeinen de opdracht om een draaiboek voor de staatsgreep te maken en lijsten aan te leggen van namen van volksvertegenwoordigers die na de coup het veld moesten ruimen. De groep samenzweerders groeide verder uit en onder hen bevond zich ook Johannes Henricus Midderigh. Deze was zojuist verkozen tot voorzitter van de Nationale Vergadering en zijn termijn zou op 21 januari ingaan. Doordat hij aan de zijde van coupplegers was komen te staan, kon de staatsgreep via een semilegale weg worden bereikt.[25][noot 2] Delacroix maakte op zijn beurt afspraken met Joubert over de inzet van Franse militairen tijdens de staatsgreep. Na onderhandelingen met de radicalen kwam deze taak te rusten bij de Bataafse militairen onder de leiding van Daendels.[26] Politiek gezien neigde Daendels veel meer naar de moderaten in het parlement, maar hij was het met de radicale republikeinen eens dat er iets moest gebeuren.[27] Het plan van Delacroix om de politieke tegenstanders van de radicalen te deporteren naar Cayenne in Frans-Guyana kreeg geen steun van de radicalen.[26]

Op de avond van 21 januari organiseerde Delacroix een diner om de executie van Lodewijk XVI te vieren. Hiervoor had hij meer dan vijftig gasten uitgenodigd, onder wie de onafhankelijke volksvertegenwoordiger Van Hooff. Toen de gastheer een toast uitbracht op het welslagen van de revolutie reageerde Van Hooff hierop negatief en verliet luidkeels de tafel. Hij verklaarde dat Delacroix (volgens hem) vastbesloten was de Bataafse Republiek in beroering te brengen, en dat Van Hooff nog liever het eerste slachtoffer wilde zijn van zo'n staatsgreep dan een herhaling mee te maken van de 31 mei in Frankrijk. Hiermee verwees hij naar de dag waarop 27 gedeputeerden uit de Nationale Conventie waren verwijderd en die het startschot was van de Terreur.[28]

Image
Voorzitter Midderigh krijgt de broederkus van ambassadeur Delacroix, prent van Reinier Vinkeles.

De staatsgreep werd gepleegd in de nacht van 21 op 22 januari 1798. Midderigh gaf het Haagse garnizoen opdracht om de toegangswegen naar de stad te versperren. Daarnaast verschenen Bataafse militairen, zowel cavalerie als infanterie, bij alle ingangen van het Binnenhof en de pleinen eromheen, zoals het Plein, het Buitenhof en de Vijverberg, waar kanonnen werden geplaatst.[29] De volksvertegenwoordigers hadden een schriftelijke oproep gekregen om op de ochtend van 22 januari naar het Binnenhof te komen. Twintig van hen werden bij de vergaderzaal gearresteerd. Daarnaast werden ook de zes leden van de Commissie voor Buitenlandse Zaken aangehouden.[30]

Voor de radicalen was de Commissie voor Buitenlandse Zaken de zondebok, en het onvermogen van deze commissie was voor hen een belangrijke legitimatie voor de staatsgreep. Hugo Gevers was lid van deze commissie en hoewel hij sinds 1795 meestal aan de zijde van de republikeinen had gestaan, maakten dezen voor hem geen uitzondering. Hij kreeg later net als de andere commissieleden huisarrest, maar bij hem kwamen er – vanwege de zwangerschap van zijn vrouw – geen soldaten voor de deur te staan wat bij alle anderen wel het geval was.[31]

Midderigh opende vervolgens de vergadering in een besloten zitting. De aanwezigen legden een verklaring af waarin zij regeringsloosheid, het stadhouderschap, het federalisme en de aristocratie afkeurden. Er waren elf representanten die weigerden deze verklaring af te leggen en zij verlieten alsnog de zaal. Midderigh opende daarop de openbare zitting en presenteerde een aantal voorstellen waarin de gewestelijke soevereiniteit nietig werd verklaard. De Nationale Vergadering nam de voorstellen aan en doopte zichzelf om tot de Constituerende Vergadering. Nadat de voorzittershamer had geklonken barstte de vergadering uit in gejuich, waarop Delacroix de zaal betrad en de staatsgreep bezegelde met een broederkus.[32]

Uitvoerend Bewind

[bewerken | brontekst bewerken]
Image Zie Uitvoerend Bewind voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de staatsgreep stelde de vergadering twee nieuwe commissies aan. Een daarvan had tot taak het adviseren over de vormgeving van de uitvoerende macht. De commissie stelde voor om Pieter Vreede, Stephanus van Langen, Wijbo Fijnje, Johan Pieter Fokker en Berend Wildrik aan te stellen als directeuren van een 'voorlopig Uitvoerend Bewind'. De benoeming vond plaats op 25 januari.[33] Het voorlopig Uitvoerend Bewind koos Vreede als voorzitter, maar door zijn gezondheidsklachten traden Fijnje en Van Langen meer op de voorgrond.[34] Voor de verschillende beleidsterreinen werden agentschappen ingesteld. De personen die hier leiding aan gaven, de agenten, worden vaak gezien als voorgangers van de latere vakministers. Een van de bekendste agenten die een aanstelling kregen was Alexander Gogel voor Financiën.[35]

Politieke vervolging

[bewerken | brontekst bewerken]
Image
Huis ten Bosch in 2012

Haagse zuiveringen

[bewerken | brontekst bewerken]

De afgezette leden – inmiddels weer op vrije voeten – maakten er geen geheim van dat ze een tegenactie wilden organiseren en ze bleven daartoe samenkomen in De Groote Sociëteit aan het Lange Voorhout. Delacroix drong erop aan dat alle 22 afgezette leden alsnog ergens werden vastgezet. Daarnaast bepleitte hij dat het huisarrest van de zes leden van Commissie voor Buitenlandse Zaken binnen 24 uur zou worden omgezet naar detentie en dat zij zoveel mogelijk van elkaar gescheiden zouden worden. Het voorlopig Uitvoerend Bewind ging akkoord met de voorstellen en gaf opdracht om de afgezette leden opnieuw onder arrest te plaatsen. Een tiental van hen werd ondergebracht in Huis ten Bosch. De anderen kregen in eerste instantie huisarrest, maar in de weken die volgden bracht het Bewind hen ook over naar Huis ten Bosch.[36] De politici die op Huis ten Bosch werden vastgezet kwamen bekend te staan als "Boschmannen".[37]

De leden van de Commissie voor Buitenlandse Zaken kregen een speciale behandeling, die milder was dan de detentie waar Delacroix om gevraagd had. Bicker kreeg aanvankelijk een civiel arrest in Wijk bij Duurstede. Hij verbleef hier in het huis van een burger en had nauwelijks bewegingsvrijheid.[38] Nadat hij misbruik van zijn vrijheid had gemaakt werd hij overgebracht naar Leeuwarden. Jacob Hahn kreeg huisarrest in Breda en Willem Queysen in Hoorn. Gerrit David Jordens en Willem Aernout de Beveren kwamen terecht in Huis Honselaarsdijk en Gevers bleef in Den Haag tot dat hij in juni overgebracht werd naar Delft.[39]

Bij de zuivering van de Nationale Vergadering beperkten de republikeinen zich tot parlementsleden die zij als hun directe tegenstanders beschouwden. Bij een te grote zuivering zou er een rompparlement ontstaan en dat zou gezien kunnen worden als een schijnvertoning in het al broze stelsel. Dat elf volksvertegenwoordigers op 22 januari weigerden om de verklaring af te leggen was voor de radicalen een onaangename ontwikkeling, maar de meeste weigeraars waren betrekkelijk anonieme leden van de vergadering.[39]

Image
Tot de politici die huisarrest kregen behoorde de moderate politicus Jan Bernd Bicker. De radicalen zagen hem als de leider van de Moderate partij in het parlement. Portret geschilderd door Louis Bernard Coclers.
Lijst van leden van de Nationale Vergadering die gezuiverd werden
Naam[40] Politieke affiniteit Straf
Willem Aernout de Beveren Commissie voor Buitenlandse Zaken Huisarrest
Coert Lambertus van Beyma Republikeins representant Internering
Jan Bernd Bicker Commissie voor Buitenlandse Zaken Huisarrest
Cornelis Gerrit Bijleveld Moderaten Internering
Petrus Brouwer Moderaten Internering
Jacob Jan Cambier Moderaten Internering
Hendrik van Castrop Moderaten Internering
Lambert van Eck Moderaten Internering
Hugo Gevers Commissie voor Buitenlandse Zaken Huisarrest
Jacob George Jeronimo Hahn Commissie voor Buitenlandse Zaken Huisarrest
IJsbrand van Hamelsveld Onafhankelijken en voormalig voorzitter Huisarrest
Jan van Hooff Onafhankelijken Internering
Cornelis van der Hoop Moderaten Internering
Carel Gerard Hultman Onafhankelijken Internering
Gerrit David Jordens Commissie voor Buitenlandse Zaken Huisarrest
Jacobus Kantelaar Moderaten Internering
Reinder van Kleffens Moderaten Internering
Jacob van Manen Onafhankelijken Internering
Gerard van Marle Moderaten Internering
Jacob Abraham de Mist Moderaten Internering
Jan David Pasteur Onafhankelijken Internering
Willem Queysen Commissie voor Buitenlandse Zaken Huisarrest
Jacob Scheltema Moderaten Internering
Albert Johan de Sitter Federalisten Internering
Johan van der Spijk Moderaten Internering
Hendrik Stoffenberg Federalisten Internering
Herman Vitringa Federalisten Internering
Carel de Vos van Steenwijk Federalisten Internering

Landelijke zuiveringen

[bewerken | brontekst bewerken]
Image
Spotprent op de Staatsregeling van 1798 en het Uitvoerend Bewind, waarop een lid van het Uitvoerend Bewind met zijn voeten staat op een tekst met "Rechten van de Mensch".

Naast de zuiveringen die in Den Haag plaatsvonden in het landsbestuur werden ook zuiveringsrondes doorgevoerd in de regionale en lokale bestuurlijke organisaties. De tweede zuivering was onderdeel van de algehele reorganisatie van het bestuurlijke stelsel van de Republiek. De provinciale besturen moesten vervangen worden en daarna moest er ook een zuivering plaatsvinden in de lagere politieke organen van de stads- en dorpsbesturen. Vrijwel direct na de staatsgreep van 22 januari begon de reorganisatie en zuivering van het overheidsapparaat. Als eerste werd Holland gezuiverd en in februari en maart volgden de andere provincies.[41]

Het Uitvoerend Bewind stelde subagenten aan die de taak hadden om bestuurders te ontslaan en aan te stellen in de provincies. De personen die deze taak kregen waren afkomstig uit de kring van de radicalen. De bestuurlijke zuiveringen waren rigoureus en werden top-down uitgevoerd. Voor 23 april – de datum waarop een referendum was gepland – moest het werk voltooid zijn. Alle leden van de stad- en dorpsbesturen kregen hun ontslag en een deel van hen kon vervolgens weer aangesteld worden. De nieuwe bestuursleden moesten een verklaring afleggen van onveranderlijke afkeer van het stadhouderlijk bestuur, het federalisme, de aristocratie en de regeringloosheid.[42] In de stad Gouda konden negen van de achttien raadsleden vertrekken en hier kwamen er slechts twee voor terug.[43] In Montfoort verloren zeven leden van het stadsbestuur hun post.[44] Na de zuiveringen ontstonden er twijfels over de kwaliteiten van de nieuwe bestuurders, die veelal uit de lagere klassen afkomstig waren. Een anonieme Leidenaar schreef hierover: "Op het stadhuis ging het er raar aan toe, door dat de heele regeering meest bestond uit onkundige menschen, want het waren timmerlieden (...) Op het stadhuis was het onder die nieuwe regering een wilde boel, zij deden niet als vloeken, zweeren, zuipen en vreten".[45]

Sommige tijdgenoten – en ook latere historici – meenden dat het radicale bewind op dit punt ontspoorde en zij vreesden voor een radicaal schrikbewind zoals dat in Frankrijk onder Robespierre had bestaan. De maatregelen waren van ingrijpende aard, maar onteigeningen, executies, noodtribunalen, machtsmisbruik en vervolgingsdrift zoals in Frankrijk bleven uit.[46] De combinatie van de zuiveringen en het ontnemen van stemrecht van gematigde patriotten had wel een sterk demoraliserende werking op de groep die zich aanvankelijk had ingezet voor democratische veranderingen. De zuivering van 1798 zorgde ervoor dat vele mensen zich afwendden van de politiek.[47]

Staatsregeling van 1798

[bewerken | brontekst bewerken]
Image Zie Staatsregeling van 1798 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De staatsgreep kreeg een veel bredere steun dan alleen die van de radicale republikeinen en dat was met name doordat de staatsgreep de bestaande constitutionele impasse had doorbroken.[35] Zo kon de staatsgreep op de sympathie rekenen van enkele vrouwen binnen het publieke debat in de Republiek, onder wie de dichteres Petronella Moens.[48] De radicale journaliste Johanna Jacoba van Beaumont op haar beurt schreef een lofdicht op de republikeinse politicus Theodorus van Leeuwen:[49]

Juicht Batavieren! 't eind van uw verdrukking sneld!

Juicht Zusters! wyl uw stem ook in 's Lands Raadzaal geld!

Image
Kaart van de indeling van de Bataafse Republiek in acht departementen, vervaardigd door Cornelis van Baarsel.

Na de staatsgreep ging de Nationale Vergadering verder onder de naam Constituerende Vergadering.[50] De Vergadering stelde een nieuwe constitutiecommissie in die al op 6 maart, na anderhalve maand, een grondwetsontwerp afleverde. Het ontwerp dat Delacroix uit Parijs had meegekregen had nauwelijks een rol van betekenis gespeeld bij de totstandkoming ervan.[51][noot 3] In het grondwetsvoorstel werd het principe van "een- en ondeelbaarheid" vastgelegd en daarmee zou een einde gemaakt worden aan de oude federalistische Republiek. Het voorstel drukte de oude provinciale belangen de kop in door het introduceren van departementen naar Frans voorbeeld, met namen die verwijzen naar een rivier. Op basis van bevolkingsdichtheid trok de Staatsregeling nieuwe departementale grenzen. Zo werd het dichtbevolkte Holland in tweeën gedeeld.[52] Door de introductie van de eenheidsstaat brak volgens historicus Niek van Sas in 1798 qua politieke structuur "het einde van de Middeleeuwen" aan voor Nederland.[53]

Het parlement organiseerde voor de tweede maal een referendum over het aannemen van het grondwetsvoorstel. Op 23 april 1798 brachten 167.649 mensen hun stem uit over het voorstel en hiervan sprak 93 procent zich uit voor deze Staatsregeling van 1798. In vergelijking met de stemming in 1797 waren er ruim 30.000 meer stemmers komen opdagen, ondanks de zuiveringen die hadden plaatsgevonden.[54][55]

Een nieuwe staatsgreep

[bewerken | brontekst bewerken]
Image
De arrestatie van Stephanus van Langen op 12 juni. Prent van Reinier Vinkeles.
Image Zie Staatsgreep van 12 juni 1798 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Constituerende Vergadering en het voorlopig Uitvoerend Bewind namen na de staatsgreep drie omstreden besluiten aan, waarvan zij dachten dat die noodzakelijk waren voor hun politieke voortbestaan. Op 10 maart zuiverden ze het kiezerscorps voor het referendum van 23 april door hun tegenstanders het stemrecht te ontnemen. Een week later besloot het voorlopig Uitvoerend Bewind om de aanduiding 'voorlopig' in zijn naam te laten vervallen en op permanente basis verder te gaan. Het besluit hield ook in dat het Uitvoerend Bewind voor een periode van vijf jaar het land zou besturen, zoals was vastgelegd in de Staatsregeling. Het derde besluit verlengde de zittingsduur van de leden van de Constituerende Vergadering. In dit besluit vormde het Uitvoerend Bewind de Constituerende Vergadering om naar het Vertegenwoordigend Lichaam, dat zou bestaan uit twee kamers. Op deze manier hadden de leden van de voorlopige instellingen zonder tussenkomst van een verkiezing hun toekomst binnen de nieuwe instellingen van de Staatsregeling veiliggesteld. Deze besluiten stonden op gespannen voet met de geest van de constitutie en leidden tot de nodige kritiek en weerstand.[56]

Agent van Financiën Gogel vreesde dat het permanent maken van het Uitvoerende Bewind bij velen zou leiden tot angst voor het ontstaan van een schrikbewind, zoals in Frankrijk gebeurd was onder de Jacobijnen. Die angst zou een orangistische reactie kunnen uitlokken, waar de voormalige stadhouder van kon profiteren.[57] Hij trad samen met Jacobus Spoors in april in contact met het Directoire in Parijs om kritiek te uiten op het bestuurlijk onvermogen van het Uitvoerend Bewind. Na 4 mei overlegden zij met de generaals Joubert en Daendels, waarbij deze laatste zich beledigend uitliet over het Uitvoerend Bewind. Die organisatie voelde zich daardoor genoodzaakt om stappen tegen de generaal te ondernemen. Daendels vertrok naar Parijs en kreeg steun voor een nieuwe staatsgreep van het Directoire dat, na een nieuwe staatsgreep in Frankrijk zelf, een gematigder koers was gaan varen.

Op 12 juni wilde de Eerste Kamer een tweetal onruststokers oppakken en onthoofden, maar Daendels trok nog diezelfde dag met zijn leger op om de leden van het Uitvoerend Bewind te arresteren. De generaal kon vier van de vijf gevangennemen; alleen Vreede wist naar het buitenland te ontkomen.[58] De na 22 januari geïnterneerde leden van de Nationale Vergadering werden vrijgelaten.[59] De nieuwe machthebbers wilden vermijden dat deze vrijlating zou worden opgevat als een keuze voor de tegenstanders van de radicale republikeinen. Om dit te voorkomen handhaafden ze nog voor enige tijd de hechtenis van de politici in Huis ten Bosch.[60]

Binnen een maand na de nieuwe staatsgreep, op 10 juli 1798, werden vrije verkiezingen gehouden die een overwegend moderaat parlement en dito Uitvoerend Bewind opleverden. Deze hadden de opdracht om het land te besturen, de grondwet uit te voeren, nieuwe bestuursinstellingen te organiseren en nieuwe wetten in te voeren. Veel van het ordenende werk kwam niet verder dan het parlement en werd niet vertaald van nationaal naar lokaal niveau. In 1799 kwam in Frankrijk Napoleon Bonaparte aan de macht en in zijn ogen had de Bataafse Republiek slechts een strategische betekenis, waarbij de Republiek slechts diende als een onuitputtelijke bron van financiën en als maritieme factor. Hiervoor waren rust en welvaart van belang en daarom wenste Napoleon dat er politieke vrede in de Bataafse Republiek kwam. Dit leidde in de jaren die volgden tot een toenadering tussen de heersende politiek met de buitengesloten orangisten en federalisten.[61]

Historiografie

[bewerken | brontekst bewerken]

De geschiedschrijving gebruikt de term "staatsgreep" om de gebeurtenissen op 22 januari 1798 aan te duiden. Tijdgenoten gebruikten liever de term "omwenteling", of ze spraken over de "revolutie van 22 januari".[62]

Historicus Simon Schama beargumenteerde in zijn boek Patriots and Liberators dat de staatsgreep van 22 januari 1798 niet nodig was geweest. Zonder een staatsgreep was er volgens hem toch wel een op hervormingen gerichte, unitarisch-democratische grondwet tot stand gekomen. Jurist Leonard de Gou bestreed de stelling van Schama op basis van een uitgebreide bronnenstudie. Op zijn beurt betoogde historicus Niek van Sas dat de staatsgreep van 22 januari de belangrijkste doorbraak in het Nederlandse staatsvormingsproces was sinds de Nederlandse Opstand.[63]

Geraadpleegde literatuur

[bewerken | brontekst bewerken]

Verklarende noten

[bewerken | brontekst bewerken]
  1. ↑ Deze commissie droeg de taken van een minister van Buitenlandse Zaken.
  2. ↑ Binnen de Bataafse Republiek fungeerde de voorzitter van de Nationale Vergadering als een semi-staatshoofd
  3. ↑ Sinds de Tweede Nationale Vergadering verloor de benaming "constitutie" terrein aan de benaming "staatsregeling", die door de Commissie Hahn was geïntroduceerd. Na het fiasco rondom het Ontwerp van Constitutie kwam de term staatsregeling weer in beeld als benaming voor de grondwet. Zie: Oddens, Pioniers in schaduwbeeld, 340-341.
  1. ↑ Aerts 2010, p. 37.
  2. ↑ Aerts 2010, p. 38.
  3. ↑ Sas 2024, p. 32.
  4. ↑ Aerts 2010, p. 39.
  5. ↑ Velema 2013, p. 33.
  6. ↑ Oddens 2012, p. 196.
  7. ↑ Oddens 2012, p. 199.
  8. ↑ Oddens 2012, pp. 200-203.
  9. ↑ Oddens 2012, p. 219.
  10. ↑ Oddens 2012, p. 223.
  11. ↑ Velema 2013, p. 38.
  12. ↑ Alkemade 2025, pp. 265-266.
  13. ↑ Sas 2024, p. 65.
  14. ↑ Sas 2024, p. 66.
  15. ↑ Alkemade 2025, p. 307.
  16. 1 2 Sas 2024, p. 67.
  17. ↑ Alkemade 2025, pp. 309-310.
  18. ↑ Alkemade 2025, p. 310.
  19. ↑ Alkemade 2025, p. 310-311.
  20. ↑ Poelgeest 2024, p. 84.
  21. ↑ Sas 2005, p. 320.
  22. ↑ Goossens, Olivier, Zeeslag bij Camperduin (1797) – Een Britse overwinning op de Bataafse vloot. Historiek (10 oktober 2025). Geraadpleegd op 23 januari 2026.
  23. ↑ Alkemade 2025, p. 312.
  24. 1 2 Alkemade 2025, p. 313.
  25. 1 2 Alkemade 2025, p. 319.
  26. 1 2 Poelgeest 2024, p. 85.
  27. ↑ Sas 2005, p. 321.
  28. ↑ Baggerman & Dekker 2005, p. 428-429.
  29. ↑ Poelgeest 2024, p. 86.
  30. ↑ Alkemade 2025, p. 320.
  31. ↑ Oddens 2012, p. 322.
  32. ↑ Alkemade 2025, p. 321.
  33. ↑ Alkemade 2025, p. 322.
  34. ↑ Alkemade 2025, p. 324.
  35. 1 2 Sas 2024, p. 69.
  36. ↑ Oddens 2012, p. 324.
  37. ↑ Oddens 2014, p. 297.
  38. ↑ Hageman 2018, pp. 186-187.
  39. 1 2 Oddens 2012, p. 325.
  40. ↑ Lijst opgesteld aan de hand van: Oddens, Pioniers in schaduwbeeld, 322-323.
  41. ↑ Alkemade 2025, p. 333.
  42. ↑ Alkemade 2025, pp. 333-334.
  43. ↑ Wal 2002, p. 559.
  44. ↑ Vossestein 1993, p. 86.
  45. ↑ Alkemade 2025, p. 334.
  46. ↑ Alkemade 2025, p. 419.
  47. ↑ Vossestein 1993, p. 85.
  48. ↑ Jensen 2001, p. 76.
  49. ↑ Everard 2001, p. 75.
  50. ↑ Tweede Nationale Vergadering en Constituerende Vergadering (1797-1798). Parlement.com. Geraadpleegd op 21 september 2025.
  51. ↑ Alkemade 2025, p. 326.
  52. ↑ Sas 2024, p. 72.
  53. ↑ Sas 2004, p. 42.
  54. ↑ Sas 2024, p. 74.
  55. ↑ Staatsregeling 1798. Parlement.com. Geraadpleegd op 10 augustus 2025.
  56. ↑ Poelgeest 2024, p. 91.
  57. ↑ Postma 2017, p. 108.
  58. ↑ Poelgeest 2024, pp. 92-93.
  59. ↑ Poelgeest 2024, p. 95.
  60. ↑ Oddens 2014, p. 298.
  61. ↑ Aerts 2010, pp. 42-43.
  62. ↑ Alkemade 2025, p. 332.
  63. ↑ Postma 2017, p. 89.
Etalagester
Dit artikel is opgenomen in de etalage.